Lieke Marsman legt in Wat ik mijzelf graag voorhoud niet alleen gedachten vast maar ook plaatsen en dagen. Zij trekt ze aan als kledingstukken, om te zien hoe zij voelen, en om ze vervolgens weer achter te laten. De dichter kantelt taal als blokken om, om waar te nemen wat zich aan de achterzijde van een begrip bevindt.
Deze debuutbundel is gevuld met taal die je het ene moment ontsnapt en die je een volgend moment naar je toe kunt halen.
De bundel confronteert de lezer met een heel nieuwe poëzie, losgerukt van conventies en tegelijkertijd klassiek.
In de Volkskrant schreef Arjan Peters over haar debuut: 'Ze kan het, geen misverstand daarover.'
Wat ik mijzelf graag voorhoud
Parool recensie- Ze publiceerde al paar keer in het literaire tijdschrift Tirade, ze stond al op de Nacht van de Poëzie en haar naam klonk het vaakst als het ging om nieuwe talenten in de poëzie. Nu is ze dan echt gedebuteerd: de negentienjarige dichteres Lieke Marsman: na H. Marsman (bekend van Denkend aan Holland...) en Bernlef (geboren als Hendrik Marsman) de derde Marsman in de Nederlandse poëzie. Wat ik mijzelf graag voorhoud, zo heet haar bundel.
Lieke Marsman heeft een voorkeur voor proza-achtige gedichten, met breed uitwaaierende regels, maar soms is ze ook heel compact. Voor een jonge debutante heeft ze een duidelijke eigen toon: helder, weloverwogen en met gevoel voor de kracht van ritmiek en herhaling. Op dagboekachtige wijze doet ze verslag van herinneringen, gebeurtenissen en gedachten, van het leren van haar vader hoe je een uil nadoet tot het geven van levensadvies aan haar jongere broer:
Maak je vandaag nog maar
geen zorgen, broertje. Als je wacht,
gaat de tijd langzaam. Sta voor nu
nog maar even met een cafetariasnack
in je hand te kijken hoe het eind
van de straat het eind van de straat
zonder mensen blijft.
Mooi is die herhaling op het einde, waardoor het goedbedoelde advies iets onuitsprekelijk melancholieks krijgt.
Er wordt veel teruggekeken op een (bijna) voorbije jeugd: Op mijn veertiende was ik /voor het eerst echt / sprakeloos, zo opent een gedicht en een ander: Toen ik vijftien was, dronk ik met Oud en Nieuw voor het eerst alcohol, waarna de wereld begon te draaien. Ze hoeven niet per se op de dichteres zelf te worden geprojecteerd, ook al omdat ze schrijft: 'Toen ik achtenzestig werd, schreef ik mijn eerste gedicht over / de liefde waarin ik het niet hoefde te vergelijken met dieren of /planten.
Humor heeft Marsman zeker, een prettig soort onderkoeld absurdisme dat aanspreekt, met een daarbij een flinke dosis zelfrelativeringsvermogen:
Ik schreef: als ik in een parallel universum geloofde,
zou het zijn waar ik mijn huis liet bouwen.
Als ik in mijzelf geloofde, zou ik er lachend
op de bank zitten wachten
totdat ik thuis kwam.
Lees hier de hele recensie van het Parool.
- 0x aangeraden
- 0x afgeraden
- 0x gewenst
- 0x nu aan het lezen
- 1258 keer gelezen



