Kind af

Dit is het vervolg van het Kind af interview met Herman van Veen.

PW:Bij zulke grote gebeurtenissen zie je dat mensen het kussen even opschudden: het leven herschikken, andere accenten leggen. Deed jij dat ook?

Van Veen: Ja. Die periode was voor mij duidelijk een scharnier. Kort daarna zijn er tamelijk veel veranderingen in mijn leven gekomen, ook in vriendschappen. Ik kon de halfheid van bepaalde mensen niet meer aanvaarden. Waarom kom je om drie uur als we om elf uur had den afgesproken? 'Ja maar: Wat nou, ja maar? Wat is dat voor geneuzel?

Liefde is voor mij 'een werkwoord: ik lief, jij lieft, wij lieven. Geen flauwekul, zeg.

Door die directe link tussen leven en dood heb ik ook in mijn werk tamelijk rücksichtslos stelling genomen. Een muzikant heeft geen ander belang dan muziek maken. Het gaat om de zuivere, mooie klank. Geld, roem, gedoe, gezeur - van dergelijke ruis wilde ik niets meer weten. Ik heb afscheid genomen van mensen. De ruiten zijn erg schoon geworden.

PW: Wat vond je het meest ontroerende aan je kleinzoon?

Van Veen: Tja, er is nu een ventje dat alles te verwachten heeft. Hij heeft een zeer kort verleden, haha. Alles is nieuw, alles is nog nooit geproefd, nog nooit gezien, nog nooit gedaan. Prachtig om te zien. Tegelijkertijd brengt dat het besef met zich mee: voor mij, voor zijn opa, is dat niet zo.

PW: Voel je je jonger bij zo'n uk? Of juist ouder?

Van Veen: Geen van beide. Kijk... alleen in de scheerspiegel kan ik zien dat die kop van mij ouder wordt. Maar zo voel ik me niet. In mij steekt een onbevangen gastje dat nooit ouder is geworden dan elf jaar.

PW: Elf? Wat markeert die leeftijd!

Van Veen: Dat is het moment v66rdat je naar de middelbare school gaat. Het leven wordt blijkbaar serieus, maar je zit daar net voor. Er moet nog niks. Dat wens ik wel gaarne zo te houden, begrijp je. Je mag zingen, maar je moet het niet. Je mag geld verdienen, maar je moet het niet. Van binnen blijf ik elf. Al word ik 375.000 jaar: ik kan niet ouder worden dan dat kereltje dat over het hek klimt om een appel te gaan lenen.

PW: Even de tussenbalans van bijna zestig jaar Herman van Veen. Waar ben je werkelijk trots op? Wat heb je toch maar mooi bereikt? Komen we dan uit op Broadway? Olympia?

Van Veen: Nee. Ik heb thuis wei een stoel uit Olympia. Daar is dus een stoel niet .. die staat bij mij, hehe, Vind ik wel mooi. Dat ik daar ooit heb opgetreden kan mij alleen maar stomverwonderen. Als 'podiumkunstenaar' is mijn grote geluk: de viool zo raken dat hij die ene zuivere klank geeft. Daar gaat het om.

PW: Ik begrijp dat je geen trofeekast hebt, maar...

Van Veen: Je vraagt om trotse momenten, hè? Weet je waar mijn trots zit? Als Shirley MaeLaine zegt: 'Herman heeft in zijn onzekerheid een vorm gevonden dat de onzekerheid hem niet deert. En dat vind ik ongelooflijk ontroerend.' Dat is zo raak, man. Nog een voorbeeld. Fassbinder, de Duitse filmregisseur. Wanneer hij een moeilijk shot moest maken, zette hij zijn koptelefoon op om naar een liedje van mij te luisteren. Dat gaf hem rust, zei hij in een interview. Fantastisch! Wauw! En ik ken hem geen eens, niet eens.

PW: Hoe ben je als komiek-muzikant-liedjeszanger in al die jaren gegroeid?

Van Veen: Het is minder ongelooflijk, veel beter. Vergelijk het met biljarten. De beweging van de oude rot Ceulemans is dermate geconcentreerd en subtiel... het lijkt niets. Maar die stoot is formidabel. Zo is het ook met zingen of vioolspelen: je zoekt naar een minimale inspanning met een maximaal resultaat.

 


Minimale inspanning, maximaal resultaat

 

PW: Straks is het klaar, op, afgelopen, uit.

Van Veen: Ik geloof niet in de dood.

PW: Maar de dood gelooft wel in jou.

Van Veen: We weten er niets van, joh. We weten er niets van. Soms... ben je radeloos. Ik was in Manilla. Van een vriend had ik een mooie witte blouse gekregen, die paste goed bij mijn witte broek. We gingen op ziekenhuisbezoek. De mensen die op de trap zaten lagen- hingen dachten dat ik de dokter was. Een jonge vrouw komt naar mij toe en geeft mij haar baby: 'Doctor, please, kunt u naar mijn kindje kijken?' Voordat ik het wist had ik een dode baby in mijn hand en. Ik moest tegen die vrouw zeggen: 'Sorry, ik ben geen dokter, maar dit kind is dood,' Die machteloosheid ... voel ik nog. Ik had het zelfde met die beruchte foto uit Vietnam: een man schiet een kogel door iemand z’n kop. Dat beeld

heeft mij maandenlang in mijn slaap achtervolgt - zwetend werd ik dan wakker. De lafhartigheid, de walgelijkheid van mensen kan zo verschrikkelijk zijn. Daar moet je je tegen wapenen. Ik kan dat verdomde slecht, soms. Je probeert een vorm te vinden in een lied of een gedicht, om de angst te bezweren. Ook voor de dood. Via woorden, klanken en een sfeer probeer je houvast te vinden. Je schreeuwt als het ware om hulp in je lied.

PW: 'De dood is altijd groot aanwezig. Als een monument staat hij op toneel. (...) Angst voor de dood is een pijler in mijn leven.' Een citaat van tien jaar geleden.

Van Veen: Ik heb daar toen geweldig mee getobd . Veel angsten gehad – een klassieke midlifecrisis. Dat had vooral te maken met een keurslijf waarin je zit; de druk om te presteren was te groot. Ik had mensen in dienst, tal van gezinnen waren afhankelijk van mij. Dan kan je in de stress schieten, zo van: ik moet die zaal wél vol zingen. Waangedachten van: ik moet nu geen auto-ongeluk krijgen. Ik kon het mij niet permitteren om te sterven. Mieter je ambities overboord – dat was mijn grootste les. Afbouwen. Vrede. Rust. David Bowie zei: ‘Als ik een liedje mooi vind, moet het gek zijn als een ander dat lied je niet ook mooi vindt.' Daar ben ik het volstrekt mee eens. Schitterend als iets succesvol is, maar realiseer je altijd dat het daar niet om gaat. Je wilt mensen raken, emotioneel beroeren. Het hoogst haalbare is dat iemand zijn jas vergeet .

PW: Een oud thema van jou is: de clown die aanwezig is op zijn eigen begrafenis.

Van Veen: Ja, dat vind ik zeer geestig. Met een klaterende lach maakt de clown het fenomeen dood licht en draaglijk, en daarmee bespreekbaar. Dat is nodig. Broodnodig. Want dan breekt de hemel open . Mijn ouders zijn er fysiek niet meer, maar in mijn beleving zijn ze overal. Ik sta in contact met hen, vraag niet hoe. Ik hoef de vraag maar te denken of ik krijg het antwoord. Dat is buitengewoon rijk te weten. Ik zie het leven als een smalle weg die onaangekondigd van links naar rechts slingert. Links is het donker, rechts licht. De kunst is: in zeker evenwicht, in zekere duur, over die weg te gaan. En niet te verbranden in het licht, en niet te verrotten in de duisternis. Waar die weg toe leidt? Nobody knows. Op het einde kieper je uit het omhulsel dat we lichaam noemen. En dan stort je in een raadsel dat niemand kan ontkennen of bevestigen.

Ga naar het profiel van Herman van Veen