Eternal Sun
...
Kluun
Kluun, pseudoniem van Raymond van de Klundert, is een Nederlandse schrijver. Veel van zijn titels werden een groot succes. Komt een vrouw bij de dokter werd een heuse kaskraker. Reinout Oerlemans verfilmde het boek recentelijk. Andere bekende titels van Kluun zijn De weduwnaar, Klunen en God is gek!.
Stuur doorKluun. Een logische schrijversnaam is het niet. A.F. Th. klinkt goed, of P.H. Thomése, maar Kluun? Het is geen pseudoniem, hè. Mensen noemen me al vijfentwintig jaar Kluun. Maar mijn uitgever zei: ‘Met zo’n naam word je in de literatuur niet serieus genomen.’ Toen dacht ik: ah, dat is dan precies de reden waarom ik wél onder die naam mijn debuutroman ga uitbrengen. Leuk om tegen het literaire wereldje te schoppen. Ik bén geen schrijver van nature. Ik heb geen lekkende zolder-kamer en ik ga ook niet met een morsig colbertje op de foto. Kluun is anders. Kluun is meer Sjors en Sjimmie.
Wij zijn een calvinistisch, zeurend, pessimistisch volk. In de jaren vijftig ontving premier Drees twee Amerikaanse topdiplomaten voor overleg over na-oorlogse Mar-shall-hulp in zijn rijtjeswoning, met een kopje thee en een kaakje. Later hadden we Wim Kok, die voor de camera in een vergadering aan broodjes rook of de worst nog wel goed was. Wij zijn Hollanders. Ten voeten uit. Ik ook, hoor. Ik heb het geld en de tijd om elke dag drie sterren te lunchen, maar tussen de middag eten we hier gewoon een broodje eiersalade en op woensdag met de kinderen kroketten.
De calvinistische volksaard vind je in onversneden vorm terug in het literaire cultuurtje. Geen enkele kunstvorm neemt zichzelf zo dodelijk serieus. Op de Parade halen acteurs en zangers zelf het publiek binnen, dat is voor schrijvers haast ondenkbaar. Ik wil dat graag doorbreken. Mijn ambitie is om het eerste televisieprogramma over schrijvers te maken dat wél aanslaat bij een groot publiek. Top Gear voor boeken. Humor is cruciaal. Er is ruimte voor een fris en diepgravend interview, maar dan gevolgd door iets totaal absurdistisch. Ik zou me er niet voor schamen een wedstrijdje te organiseren: welke auteur tikt de meeste aanslagen per minuut? Ik zie Hafid Bouazza wel naast A.F.Th. zitten. Voor én na vier glazen wodka.
Humor … ik leef ervan. Een schaterlach is heerlijker dan een orgasme. Met een lach doorbreek je alles. De zon breekt door, al is het maar tijdelijk, maar dan weet je wel weer dat-ie er nog is. Over een definitie van humor kan ik kort zijn: het wetenschappelijk bewijs van leuk is lachen. Het is persoonlijk, net als met aantrekkingskracht: waarom valt de één op een blonde bimbo met grote tieten en de ander op een intellectuele, jongensachtige schoonheid? Laat ik nog eens een subtiele vergelijking maken: als je porno maakt en mensen worden niet geil, dan is het slechte porno. Als je een grap vertelt en niemand lacht, dan is het slechte humor. Zo simpel is het.
De mop is uit. Iemand die een ‘goeie bak’ staat te vertellen is hopeloos ouderwets en al snel saai. De mop is van de jaren zeventig en tachtig. De humor van bepalende comedians als Hans Teeuwen en Theo Maassen ligt nu veel meer in verhalen. Vroeger vertelde ik wel moppen. In Antwerpen komt een verbod op tippelen, de politie plukt hoertjes van de straat. Een madammeke wordt voorgeleid in de rechtszaal.
‘Hoe heet u?’ vraagt de rechter.
‘Marie-Thérèse van den Dungen.’
‘Wat is uw leeftijd?’
‘22 jaar.’
‘Wat is uw werkadres?’
‘Allez, André …’
Op mijn website heb ik een keer een wedstrijdje gedaan: de beste flauwe bak aller tijden. Ik weet de winnaar nog. Het staat in de wei en het draagt een grote gouden ketting. Een Shetland Sjonnie. Tijdens een lezing lees ik de top tien wel eens voor, heel droog, zonder zelf te lachen. Mensen raken in een trance van meligheid en zelfs de grootste intellectueel ligt dubbel.
Het is natuurlijk pure ironie dat de titel van mijn eerste roman het begin is van een slechte grap: Komt een Vrouw bij de Dokter. Het is een briljante vondst van mijn toenmalige redacteur Janneke Steinz. Die platte titel klopt helemaal met de snelle stijl van schrijven en de naam Kluun, en contrasteert mooi met de glossy look en de lifestyle-achtige uitstraling van het omslag. Zelf heb ik daar heel lang mee geworsteld. Carpe Diem vond ik wel mooi. Of Happy End. Na drie bier had ik op een mistige avond zelfs een would be-literaire titel verzonnen: We hebben altijd noch elkaar. Noch met ch. Uit beleefdheid hakte mijn uitgever deze hersenkronkel niet meteen aan stukken.
Komt een Vrouw bij de Dokter is een rauw sprookje over de kracht van de liefde. In een hedonistische, decadente wereld, waarin we denken dat alles maar maakbaar is, blijkt uiteindelijk dat de liefde sterker is dan ego, lust, ziekte en zelfs dood. Dat inzicht krijgt de hoofdpersoon, Stijn, alleen maar omdat er een bom op die decadente wereld viel: de kanker van zijn vrouw Carmen. Humor in het boek is essentieel. Al die grappen, kadertjes, de overdreven minutieuze beschrijvingen van kroegen brengen lichtheid. Want je moet wel een lekker Kluunboek lezen. Ik wil mijn lezers raken, vermaken, en soms iets bijbrengen.
Het boek is deels autobiografisch. Mijn vrouw Judith besloot euthanasie te plegen door het drinken van een dodelijk drankje. ‘Dit smaakt goed,’ zei ze. ‘Dit smaakt naar ouzo.’ Daarna sloot ze haar ogen. De huisarts zei: ‘Nu is ze weg.’ Een paar seconden daarna zei Juut: ‘Ik ben er nog, hoor.’ Haar laatste woorden waren een grap. Magistraal. Deze scène hebben ze in de filmversie van Komt een Vrouw bij de Dokter letterlijk overgenomen. Ik heb gezien hoe de hele bioscoop zat te snotteren, maar bij die laatste woorden konden mensen toch nog lachen. Humor was heel belangrijk voor Juut. En dan heeft ze toch maar mooi bereikt dat acht jaar na haar dood een bioscoopzaal ontroerd lacht om haar laatste woorden. Ik kreeg ’t toen even te kwaad.
Ik ben nu 45. Vrolijk, optimistisch, levenslustig – zo mag ik mezelf best typeren. Ik doe jonge dingen, zoals uitgaan tot vijf uur ’s nachts. Ik vind bandjes leuk die twintigers leuk vinden. Ik tel de dagen af voor een concert van Springsteen of een leuk weekendje Ibiza. Maar over vijf jaar ben ik vijftig. Als ik over twintig jaar doodga, is dat weliswaar wat vroeg, maar niet ongewoon. Die gedachte kan me behoorlijk ontregelen. Ik ben een goede en lieve vader, hoor. Maar als ik mezelf soms hoor, denk ik: kom op man, je lijkt wel een ouwe brombeer. Het zal de leeftijd zijn. En met drie jonge kinderen word je effectief en met kracht uit het middelpunt van je eigen universum geknikkerd. Maar als ik dan op maandagmorgen in mijn werkkamer zit, ben ik blij. Dan stap ik in de wereld van mijn roman. En die wereld is helemaal van mij.





Reacties
Nog geen reacties geplaatst.