Karies
...
Susan Smit: Te veel harmonie in de liefde is saai
Dit is het vervolg van het artikel 'Te veel harmonie in de liefde is saai'.
V. Als puber schreef je ook dagboeken. Dozen vol.
A. Ja, genoeg drama! Dat ging vooral over de liefde, hoor. Over jongens die mij als vraagtekens omringden. Ik schreef ook korte verhalen, gedichten – zo slecht en pathetisch dat ze nooit gevonden mogen worden. Maar ik ging toen al een stapje van de werkelijkheid staan. Het schrijven kwam voort uit een verlangen om het leven inzichtelijker te maken. Al die grillige gedachten en gevoelens en belevenissen in mijn puberteit kon ik zodanig ordenen dat ik het leven wél begreep. Ik wilde schrijver worden.
V. Maar je werd model. Op je zestiende werd je op het strand opgepikt door twee modefotografen.
A. Die wilden m’n moeder spreken, ja. Ik schreef me in bij een modellenbureau en kreeg opdrachten. Daar kon ik mijn eerste stereotoren voor kopen. Al gauw woonde ik in Parijs. Gingen we met een paar meiden naar nachtclubs die hot waren – veel champagne drinken en gezien worden in het circuitje van ontwerpers en fotografen. Ik had zelfs m’n eigen bodyguard. Die bleef bij de deur staan als ik ging plassen. Vreselijk.
Ik was geen topmodel, hoor. Bij lange na niet. Maar het was wel glamoureus om ’s nachts in het sprookjesachtige Parijs fotoshoots te doen in glimmende avondjurken, zoals bij de Arc de Triomphe en de Sacre Coeur, met een witte limousine op de achtergrond. Toch gaf het geen voldoening. Ik wilde liever studeren. Nederlandse letterkunde. Uiteindelijk heb ik dat ook gedaan.
V. Na die studie werd je verslaggever met een bijzondere interesse voor spiritualiteit. ‘Kritisch maar welwillend’ onderzocht je gebedsgenezers, handlezers, regressietherapeuten en chakrahealers. Wat was de wonderlijkste ervaring?
A. Reiki. Twee handopleggers gaven energie door, een soort goddelijk licht. Daar kun je lacherig over doen, maar het voelde alsof ik als een telefoon in de oplader lag. Ik had energie voor tien! Ik kan het niet verklaren, maar Hippocrates zei al: ‘Wie geneest, heeft gelijk.’ Kijk, het lichaam is het voertuig van de ziel. Maar in het christendom is het lichaam zondig. Ik vind dat we terug moeten naar de spirituele waarheid van het fysieke.
V. Dat element vond je bij de oudste natuurreligie van Europa.
A. Ja. Het lichaam heeft de waarde van een boom: wortels in de grond, takken naar de hemel. Seksualiteit is een natuurlijke drift die je niet hoeft te ontstijgen. Mijn religie gaat ook over een goddelijke vonk in alles wat leeft: planten, dieren en mensen. Met als ethische code: doe wat je wilt, mits het niets of niemand schaadt. Het is vredelievend, heel mooi. Majoor Bosshardt zei eens tegen me: ‘Nou, als dat alles is, ben ik ook een heks.’
V. Hekserij is een beladen term. Vergiftigd, zeg je zelf. Wat is het grootste misverstand?
A. Dat een heks iets te maken heeft met het duivelse, het duistere. Dat is een uitvinding van het christendom: heksen zijn letterlijk gedemoniseerd – omwille van concurrentie. Het is een ervaringsreligie, geen theologische godsdienst met een boek en profeten die macht willen uitoefenen. Als heks kun je je aansluiten bij covens, heksenkringen, of meedoen aan jaarfeesten.
Ik beleef het vooral solitair. Ik leef met de seizoenen, de energieën in de natuur, de cycli van de maan. Ik heb wel de nodige dreigbrieven en hatemails gehad. Bij een lezing van mij aan een katholieke school was er een bommelding. Zulke reacties zijn eigenlijk heel vreemd, zeker als je bedenkt dat wij tegenwoordig de neiging hebben oude natuurreligies te zien als voedend, positief, wijs en verheven. Denk aan de Masai in Afrika, de Indianen in Amerika, de aboriginals in Australië. De heksen in Europa dragen dezelfde principes.Wat is daar dan mis mee?
V. Met het boek Heks (2001) kwam je naar eigen zeggen uit de bezemkast. Tegelijkertijd was de schrijver Susan Smit geboren.
A. Mooi hè? De ontvangst van het eerste exemplaar herinner ik me nog heel goed. In ‘De Waag’ op de Nieuwmarkt zakte een kroonluchter met brandende kaarsen om mij heen. Aan een lintje zat mijn boek vast. Magisch moment. Nu zal mijn leven nooit meer hetzelfde zijn. Dat dacht ik echt! Eenzelfde soort gevoel had ik bij fictie, mijn eerste roman. Kijk, een boek met verzamelde columns lijkt heel persoonlijk. Maar een roman is vele malen intiemer en kwetsbaarder, omdat het ontsproten is aan mijn fantasie. Die gedachten en gevoelens gaan veel dieper. Non-fictie is een aftreksel van de werkelijkheid, fictie ís mijn werkelijkheid. Het verbaast me dat ik dat durf.
V. Waaraan moet een goede roman voldoen?
A. Een literair verhaal moet verrassen of verwonderen, nieuwe werelden openbaren, grenzen verleggen in het denken. Boeken die leunen op de herkenning vind ik per definitie niet interessant. Een roman moet het ongebruikelijke en het afwijkende benoemen. De stijl moet scherp en zuiver zijn, raak, origineel, met een zekere bravoure.
In tegenstelling tot andere kunstvormen kun je als schrijver in andermans hoofd gaan zitten. Dat geeft geweldige mogelijkheden in het verkennen van de menselijke natuur.
V. ‘Fictie maakt mij het gelukkigst,’ zei je ooit. Het is een worsteling van veel schrijvers: geef ik mij over aan de verbeelding, of telt het echte leven toch zwaarder? Tot in hoeverre leef jij in de fantasie?
A. Tja. Zoals ik net aangaf: als kind verdween ik al in boeken. Mijn moeder moest ’s avonds het lichtje boven mijn bed uitdoen. Ik vereenzelvigde me met de hoofdpersoon – ik wilde niets liever dan verder lezen. Dat heb ik nog steeds. De wereld van mijn roman kan echter aanvoelen dan de gewone werkelijkheid. Soms zweef ik nog na. Mijn vriendje ziet dat. Hij trekt me meteen naar het hier en nu.
V. In jouw laatste roman Wat er niet meer is verweef je een aantal grote thema’s met elkaar: liefde, kunst en dood. De hoofdpersoon Thomas, librettist, vertelt een mystiek liefdesverhaal. Tijdens een ontluikende romance overlijdt de vrouw vroegtijdig, maar dat betekent niet het einde van de liefde. Mooi gegeven.
A. Vond ik ook. Liefde is sterker dan de dood. Ik geloof dat we via de ziel verbonden blijven met elkaar – dat gaat voorbij het stoffelijke. In mijn boek zit zelfs nog een erotische scène. Ik wilde het mystieke en het seksuele met elkaar verbinden, juist omdat dat in het westen taboe is. In mijn eerste roman, Elena’s Vlucht, had ik de wens een roman met een grote R te schrijven. Wat er niet meer is schreef ik meer met mijn hart. Onbevangen. Ik móest dit verhaal kwijt.
V. Verbinding is een leidend thema in die tweede roman. Hoe ver durf je te gaan in de liefde? Dat schampt aan jouw eigen fascinatie. Hoe heb je jezelf leren kennen in relaties?
A. Ik ben altijd een angsthaasje geweest. Sinds een paar jaar heb ik mij gerealiseerd dat het beeld van mijn vader sterk van invloed is geweest op mijn keuze voor mannen. Losbollige types, daar bleef ik verre van. Ik koos voor veiligheid en stabiliteit. Ik werd verliefd op een jongen die mijn beste vriend was. Hij bleek al veel eerder voor mij te zijn gevallen, maar dat had ik niet door. Ik ben erg naïef in de liefde, geloof ik. Maar ook serieus.
V. Wat moet een man voor jou hebben?
A. Een scherpe geest. Ik hou van tegendraads, eigenzinnig, ongepolijst, onaangepast. Een seksistische grap mag best – ook al ben ik vrij makkelijk te choqueren. Mannen moeten vooral niet te ‘charmant’ zijn. Dat ze doen wat zij denken dat jij wilt dat ze doen. Dat ze zeggen wat zij denken dat jij wilt dat ze zeggen. Begrijp je? Nobel vind ik een mooi woord voor mannen. Het heeft te maken met een zekere rechtlijnigheid, het goede verkiezen boven het foute, vol vuur stelling nemen. Met mijn vorige vriend was ik het lang niet altijd eens. Maar toch: onze relatie was harmonieus. Te harmonieus.
V. Na de breuk volgde een ‘staat van tijdelijke waanzin’, een ‘donkere tijd van uitgaan, drank en eenzaamheid’. Een rafelrand. Verlies van controle. Voor het eerst.
A. Het was wel eens goed voor me. Even los slaan, op de afgrond balanceren, weten dat je leeft. Kijk, ik ben een mens van weinig angsten. Ik probeer moedig te leven: als ik echt iets wil, zet ik me ervoor in. Maar in de liefde heb ik mijn angst nooit zo kunnen bedwingen. Tot het afscheid van mijn vorige vriend. Ik voelde me in het uitgaansleven net een uitgestorven diersoort. Ik had niets met het gladde versieren. Ik heb een paar avontuurtjes gehad, maar betekenisloze seks is niets voor mij. Daar werd ik alleen maar treurig van. Vijf maanden heeft die periode geduurd – toen ontmoette ik Floris. Gewoon, in de kroeg. Hij kwam brutaal bij me staan. Voordat we het wisten waren we in gesprek over quantumfysica en Van Kooten en De Bie. Hij is piloot. Wat een leuke man, dacht ik onmiddellijk. Hij wilde die avond mijn telefoonnummer. Dat geef ik nooit. Toen wel. Mijn nichtenvriendje was stomverbaasd: ‘Suus, wat doe je nou?’ Voor iemand als Floris had ik vroeger nooit durven kiezen. Hij is emotioneel, sensitief, grillig. Hij eist volledig contact, volledige intimiteit. En soms heeft hij donkere buien. Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt.
V. Die laatste eigenschap vertoont veel gelijkenis met jouw vader.
A. Ja, maar het gaat er juist om dat ik me in mijn keuze niet langer door hem wil laten beïnvloeden. In die vrijheid is alles mogelijk, ook overeenkomsten. En ach, te veel harmonie is saai. Mensen die zeggen dat ze het altijd met elkaar eens zijn, hoor je nooit klagen. Nee, omdat ze in slaap zijn gevallen. Floris en ik wonen sinds kort samen. In een mooi, oud huis in Amsterdam-Zuid. Een liefdesnest. Ik heb je gevonden – dat denk ik vaak, als ik naar hem kijk.
V. Zie je je vader nog wel?
A. Ja hoor. Ik heb hem bij vlagen verfoeid, maar nu accepteer ik hem zoals hij is. Mijn ouders zijn inmiddels gescheiden. In mijn puberteit, maar ook nu nog, heb ik altijd op de onvoorwaardelijke steun en liefde van mijn moeder kunnen rekenen. Ik kan alles met haar bespreken. En mijn vader… die is best trots op me.
V. Wat is al met al de belangrijkste ontwikkeling in denken of voelen die je de afgelopen jaren hebt doorgemaakt?
A. Ik ben steeds meer de persoon geworden die ik werkelijk ben. In het verleden heb ik dingen te makkelijk laten gebeuren, of zelfs laten opdringen. Dan denk ik aan carnaval vieren en modellenwerk tot een al te starre navolging van ‘romanwetten’. Ik heb mij ontworsteld aan een typische vrouwenkwaal: disease to please.
Ik hoef niet meer per se aardig gevonden te worden. Ik richt mij nu heel bewust op dingen waar ik een goed gevoel van krijg: schoonheid, literatuur, liefde, vriendschap. Zelftrouw is voor mij het allerbelangrijkste. Die term moet je niet verwarren met egoïsme of narcisme. Pas als je jezelf volledig ontplooit, ben je van de grootste betekenis voor anderen.
V. Is dat ook een verrijking voor de schrijfster Susan Smit?
A. Ja. Ik durf meer. Ik ben ronder én hoekiger. Misschien ben ik voor anderen in m’n persoonlijke leven nu nog minder goed te volgen, maar voor mezelf is de lijn helder. Ik heb meer kleuren op het palet, meer schakeringen. Dat is pure winst – voor alle Susannen in mij.
